Druppel in de zee

“Toen hij het water raakte was het zo koud dat hij bijkwam en wilde dat ze hem vonden en zouden redden. […] De open oceaan zag er ontzagwekkend uit. Overal rezen toppen op, kapseisden en verdwenen weer, hellingen rolden voorbij. Het was niet te geloven dat het gewoon water was, niet te geloven ook hoe diep het zich onder hem uitstrekte. Zijn worsteling leek een eeuwigheid te duren, voor hij verdoofd en vermoeid raakte en water begon te slikken. Hij dacht aan [zijn zoon] Roy, die niet de kans had gehad om deze doodsangst te voelen, die onmiddellijk dood was geweest. Ongewild braakte hij water en slikte en ademde het weer in en het was als het einde, koud en hard en onnodig en hij wist dat Roy van hem gehouden had en dat dat genoeg had moeten zijn. Hij had alleen niets op tijd begrepen.” (David Vann, Legende van een zelfmoord)

Tijdens een lezing in Amsterdam wees iemand mij op de opvallende parallel tussen deze passage in Legende van een zelfmoord en Johannes van het Kruis. En uit C.B. Zuijderhoudt, Meester Eckharts mystiek in de praktijk haal ik het volgende citaat: “Als men een druppel in de zee zou laten vallen zou de druppel veranderen in de zee en niet de zee in de druppel. Zo vergaat het ook de ziel: als god haar binnenhaalt wordt zij in Hem veranderd, zodat de ziel goddelijk wordt.”

Vann beschrijft het zelfverlies, de destructie van het subject, van het ego, in klassiek mystieke bewoordingen. Want ook in de mystiek is er immers sprake van geweld, wanneer er gesproken wordt over de noodzaak van vernietiging van het zelf, het ego, wil er ruimte komen voor het hogere Zelf dat kan opgaan in God, de natuur, het alles of het niets. Het mystieke pad is niet gedompeld in rozengeur en maneschijn. Vann beschrijft die schaduwzijde van mystiek, het voorstadium, voordat er eenheid en harmonie bereikt wordt.

© Liesbeth Eugelink

HahahaHa?

HhhH (2009) van Laurent Binet gelezen, ondertitel: Himmlers hersens heten Heydrich. Hoge verwachtingen; de roman stond bij mij te boek als een ‘intelligente’ roman over de Tweede Wereldoorlog, net zoals die andere recente roman, De welwillenden (2006) van Jonathan Littell.

Oordeel na eerste lezing: een beetje een aanstellerig boek. Binet koketteert met zijn fascinatie voor en grote kennis over de aanslag op Reinhard Heydrich (1904-1942), protector van Bohemen en Moravië en het brein achter de Endlösung. HhhH is bovendien onverdroten vooringenomen; de Slowaak Jozef Gabčík en de Tsjech Jan Kubiš, de uitvoerders van de aanslag, kunnen in zijn ogen niets verkeerds doen.

De belangrijkste vraag die het boek bij me oproept: waar gaat het eigenlijk over? Wil Binet een portret schetsen van ‘de slager van Praag’, Heydrich? Gaat het over de helden Gabčík en Kubiš? Of gaat HhhH over het schrijven van een boek over de aanslag op Heydrich, de onmogelijkheid van waarachtig historisch schrijven, de leugenachtigheid van fictie ook?

Een oude literatuurtheorie wil dat goede fictie een waarder soort werkelijkheid weet op te roepen dan de echte werkelijkheid, maar Binet doet die kracht van fictie door zijn scepsis als geschiedschrijver volledig teniet. Terwijl hij aan de andere kant, als het gaat om geschiedschrijving, een doodzonde begaat: hij veroordeelt hoofdpersoon Heydrich voordat hij ten tonele is gevoerd. Mijns inziens kun je geen goed boek schrijven over een (historisch) personage dat je bij voorbaat afserveert. Hoe moreel verwerpelijk iemands daden verder ook zijn, als schrijver moet je diens beweegredenen op z’n minst proberen te begrijpen.

Omdat Binet dit nalaat, gaat de morele verongelijktheid die van elke bladzijde afdruipt irriteren, evenals de zogenaamd grappige ironie waarmee hij zijn historische wijsheden debiteert. Hier toont het postmodernistische meta-vertellen zijn perverse gezicht; bij een serieus onderwerp als dit werkt het gewoon niet.

Er zijn van Binets roman al meer dan 100.000 exemplaren verkocht; blijkbaar raakt het boek toch een snaar bij de lezer. Waarschijnlijk zit dat in de raadselachtige figuur Heydrich, die ook na lezing van HhhH voor mij even ongrijpbaar is als daarvoor.

© Liesbeth Eugelink

Eindelijk #3

Waarom is dit belangrijk?

- Het bijspijkeren van kennis is belangrijk om aansluiting te blijven houden met literaire vernieuwing. Veel daarvan gebeurt momenteel incidenteel (vergelijk het jaarlijkse project ‘Poëzie op het scherm’ van het Nederlands Letterenfonds), of vindt plaats in onzichtbaar blijvende subcultuurtjes op het internet en dringt niet door in mainstream publicaties. Voor uitgevers een gemiste kans om de literatuur te vernieuwen, technisch geïnduceerd als die van oudsher is.

- Het uitbreiden van technische expertise is belangrijk omdat techniek, ook in het boekenvak, steeds belangrijker wordt. Een traditionele uitgevers c.q. redacteursrol volstaat niet meer. Je hebt mensen nodig die én goed zijn in tekst, én goed zijn in nieuwe media, of die in ieder geval in staat zijn om een link te leggen tussen beide domeinen.

- Het laatste punt is belangrijk omdat het traditionele uitgeef c.q. verdienmodel niet langer volstaat. Auteurs worden mondiger; het traditionele auteursrecht wordt uitgehold; uitgevers hebben moeite hun hoofd boven water te houden; de verkoop van e-books vraagt om een andersoortige marketing, enzovoort. Willen alle betrokkenen kunnen blijven verdienen aan scheppend literair werk, dan moeten er gewoonweg andere financieringsmogelijkheden bedacht worden.

Uitgevers kunnen deze vernieuwing niet in hun eentje voltrekken. Alle betrokken partijen moeten er hun aandeel in hun krijgen, ook mensen en organisaties van buiten het vak en uit niet voor de hand liggende sectoren. Want niet concurrentie is het woord van de toekomst, maar samenwerking. ‘De snelste weg tot innovatie is het maken van nieuwe verbindingen,’ zo beweert Steven Johnson óók in zijn boek.

Ik ben er klaar voor. Tijd voor een debat.

© Liesbeth Eugelink

Eindelijk #2

Steven Johnson beweert in zijn fascinerende boek met de wat suffe titel Briljante ideeën, hoe kom je erop? (2010) dat vernieuwing niet ergens ‘ver weg’ plaatsvindt, zoals wij geneigd zijn te denken, maar dat er bij vernieuwing altijd sprake is van een ontdekking van de aangrenzende mogelijkheid. Vernieuwing wil zeggen dat je één stap verder gaat dan waar je je bevindt. Dat is waarom wij van werkelijk goede, briljante ideeën vaak zeggen: ‘Dat we daar niet eerder op gekomen zijn!’ Werkelijke vernieuwing ligt voor de hand, en is precies dáárom briljant. Verlichte strepen op de weg bijvoorbeeld; of een snelweg die zichzelf oplaadt met energie door het eroverheen sjezende verkeer.

Vernieuwing vindt dus plaats in de volgende ‘kamer’; we hoeven slechts één deur te openen. Welke deur moeten we openen in het boekenvak? Wat is de volgende kamer die we moeten ontdekken? En wat moeten we daarvoor doen?

Volgens mij zijn er ten aanzien van digitalisering in het boekenvak – het punt waar de vernieuwing aangrijpt, zowel literair-intern (de literatuur zelf), als literair-extern (de wijze van uitgeven, de dragers, de verspreiding, marketing) – drie kernproblemen. Drie kernvragen die werkelijke vernieuwing vooralsnog in de weg staan. Ten eerste is er een gebrek aan up-to-date kennis over literaire vernieuwing; ten tweede is er een tekort aan state-of-the art technische expertise en middelen, en ten derde is er geen zicht op alternatieve verdien- en uitgeefmodellen.

Alle drie big issues, maar geen reden tot wanhoop, want met het formuleren van de problemen zijn tevens drie wegen naar een oplossing geformuleerd. Dit is wat uitgevers, álle betrokkenen in het literaire veld, met ingang van nu zouden moeten doen: spijker je kennis bij over hedendaagse literaire vernieuwing; zorg voor technische expertise en middelen; bedenk nieuwe verdien- en uitgeefmodellen.

© Liesbeth Eugelink

Eindelijk #1

Het optimistische artikel ‘Eindelijk gebeurt er iets in het boekenvak’ van Mizzi van der Pluijm (de Volkskrant, 26 januari 2013) siert de uitgever. Met haar positieve beweringen ‘Digitalisering is volgens mij eerder verkoopbevorderend dan nadelig’ en ‘Eindelijk mogen we ons vak weer eens opnieuw uitvinden’ is de directeur van Uitgeverij Contact een van de weinige Nederlandse uitgevers die zich serieus buigt over de mogelijkheden die de veranderingen in de boekenwereld, inclusief de digitalisering, met zich mee brengt. En het klinkt ook heel wat vrolijker dan haar opmerking van een paar jaar geleden: ‘Op de een of andere manier is het e-book typisch iets voor jongens, jongens die ik graag, the boys from Digitalis zou willen noemen.’ (Mizzi van der Pluijm in NRC next, 16 april 2010).

Haar optimisme is een zegen in een boekenwereld die vaak geneigd is tot somberen, het geeft hoop.

Vernieuwen is echter makkelijker gezegd dan gedaan, zoals ook uit het vervolg van het artikel blijkt.

Want het omarmen van de vernieuwing bestaat vooralsnog uit het formuleren van vragen die naarstig een antwoord behoeven: ‘Wat wordt de rol van de boekwinkel, wat die van onlineverkoop? Wat voor mogelijkheden biedt de digitalisering aan schrijvers, redacteuren, ontwerpers en marketeers?’ En, de wat curieuze, laatste vraag: ‘Wat kunnen we […] met een fenomeen als metadata?’

Allemaal relevante vragen, maar wel een beetje een ratjetoe. Wat zijn nu de werkelijke core issues?

© Liesbeth Eugelink

Locus Horribilis

Dé literaire ontdekking het afgelopen jaar was voor mij David Vann (1966). Zijn debuutroman, Legende van een zelfmoord (2010), las ik eind 2011. Een meer dan verontustend boek, zeker geen aanrader voor lezers met een zwakke maag. Zijn andere boeken, Caribou Island (gelezen op Sand Dollar Beach, over contrast gesproken!) en Aarde, zijn laatste, doen er nauwelijks voor onder.

Ik kan niet eens zeggen dat Vann mooi schrijft; zijn stijl is eerder ruw en hoekig. En op de structuur van zijn romans is van alles aan te merken. Het zijn geen perfect gladgestreken boeken waar de gevolgde schrijfworkshops vanaf druipen; knap verteld, maar bloedeloos werk. Aan de weerbarstige boeken van de schrijver uit Alaska zie je dat hij zichzelf heeft leren schrijven, en dat het een moeizaam proces is.

In Vanns boeken zie je ook die typisch Amerikaanse natuurbeleving waar ik eerder over schreef (‘Landschap #2′, posted 16-08-2012). Al zijn romans draaien letterlijk om het (bouwen) van een blokhut. Het is de voornaamste handeling in het verhaal, het is de locatie waar de gebeurtenissen zich afspelen, én het is de plek waar het verlangen naar harmonie, drijvende kracht van de personages, zich op focust.

Vann ontleent het beeld van de blokhut natuurlijk aan Henry Thoreaus Walden (1854), dé bijbel van de Amerikaanse natuurbeleving, waarbij de blokhut fungeert als symbool voor een leven in harmonie met de natuur – niet geheel vrij van ironie, als je je realiseert dat Thoreaus blokhut gewoon in iemands achtertuin stond, op vijf kilometer afstand van zijn geboorteplaats. Van ‘Into the wild’ was dus allesbehalve sprake.

Bij Vann verkeert het ideaal van je eigen blokhut geheel in zijn tegendeel. De blokhut, het überromantische symbool van zelfredzaamheid in de vrije natuur, wordt bij hem een locus horribilis, een afschuwelijke plek. Het bouwen van de blokhut mislukt jammerlijk, en leidt, letterlijk, tot moord en doodslag. Die rampzalige gebeurtenissen vinden altijd plaats in familieverband; tussen vader en zoon, tussen man en vrouw, tussen moeder en zoon. De wildernis – een verlaten eiland in Alaska, een verwilderde boomgaard in Californië – fungeert als decor voor die verwikkelingen en zet deze op scherp; zij legt de onderlinge menselijke verhoudingen genadeloos bloot.

De ongerepte natuur is geen plek voor mensen, lijkt Vann te willen zeggen. Waarmee hij, met een typisch Amerikaans beeld, het Amerikaanse gedweep met de wildernis genadeloos om zeep helpt. Die zelfkritiek verleent een merkwaardige spanning aan zijn boeken. Omdat zijn personages, en ook de auteur zelf, zich nooit helemáál los kunnen maken van het verlangen naar een leven in harmonie met de natuur, en met zichzelf.

© Liesbeth Eugelink

Barsten #1

Kan de moderne literatuur dienen als vindplaats voor mystiek? Die vraag stelde ik gisteren tijdens een lezing in Rhenen. Volgende passage van Désanne van Brederode, uit het zomerdagboek Barsten (2005), lijkt in ieder geval geval een mooi voorbeeld van mystiek in een alledaagse, niet-religieuze setting. Ze denkt terug aan een zomervakantie met haar ouders in de zomer van 1982, toen ze verbleven in een Engels jachtslot in Sussex. En met name aan het zwembad daar, omgeven door een haag van dennen en beuken:

Dan stond je in een vierkante binnentuin in dat ‘woud’ en daar lag, verzonken in fabelachtig gifgroen gras dat helderblauwe, kleine maar diepe bad – rimpelloos. … Het zonlicht dat door die schacht van takken, naalden en gebladerte precies op het water viel, alsof het oppervlak zelf een lamp was, met een vreemde walm erboven waarin stofdeeltjes ronddansten… Een zwemmen waar ik nog steeds geen woorden voor heb. … Waar ik niet bang was voor onweer, voor regen, waar ik al zwemmend en biddend en huiverend en grinnikend het lot tartte; kom maar, weerlicht, kom maar, flitsen, ik ben toch al bij God!’ (p.148-p.151)

Als zoeklicht voor dergelijke passages in de literatuur hanteer ik graag dit mooie citaat van de Franse filosoof Michel de Certeau: ‘Something stirs within the everyday.’ Wanneer je zijn uitspraak in gedachten houdt tijdens het lezen, dan lichten er ineens nieuwe betekenissen op, als stukjes glas op straat waar ineens het zonlicht op valt.

© Liesbeth Eugelink

‘Under cover’

Zoveelste bewijs dat Nederlandse uitgevers nogal achterlopen op de ontwikkelingen in eigen uitgeversland. Tilly Hermans van uitgeverij Augustus dit weekend in NRC: “Het e-book heeft hier nog geen groot marktaandeel, maar dat gaat veranderen. Het is een revolutie omdat het van een boek minder een fysiek ding en meer een onstoffelijke tekst zonder mooie vormgeving maakt.”

Los van het zogenaamd ‘onstoffelijke’ van e-readers – touch screens zijn per definitie tactiel; ze reageren op je aanraking – klopt ook de opmerking over de vormgeving niet. E-books moeten het juist hebben van de vormgeving. Craig Mod schreef daar een interessant artikel over, ‘Hack the Cover’. Hierin maakt hij zonneklaar duidelijk dat digital book design uiterst belangrijk is.

Mod richt zich met name op de boekenkaft, waarvan de functie volgens hem wezenlijk verandert. Covers zijn niet meer alleen bedoeld om de aandacht te trekken van potentiële kopers, in e-books worden ze gebruikt om het hele leesproces, de user experience flow, te beïnvloeden: “… the cover, as it were,  is everywhere,” schrijft hij. En: “…entire books need to be treated as covers.” De cover wordt letterlijk het e-book ingetrokken en bepaalt daar de opmaak en structuur van het lezen. De schrijver geeft in zijn essay een paar prachtige voorbeelden van dergelijke digitale boeken. Ik zou zeggen: verplichte leesstof voor heel uitgevend Nederland.

Lees hier het artikel ‘Hack the Cover’.

© Liesbeth Eugelink

Landschap #2

Trend forecaster Lidewij Edelkoort in de vierde aflevering van Zomergasten (12 augustus 2012), over de terugkeer van de romantiek en, daarbinnen, de opkomst van het ‘nomadiseren’. Het onderwerp waar ik hier al een paar keer over geschreven heb. Volgens Edelkoort willen we weg uit de bestaande situatie, we willen wel eens aan een andere tafel zitten of op een andere plek wonen. Dus we pakken die auto, stappen de trein in en gaan op weg, op zoek naar ‘onszelf’, het aloude hoogromantische ideaal. Ter illustratie van haar bewering had Edelkoort twee filmfragmenten uitgekozen; ‘On the Road’, de recente verfilming van het beroemde, gelijknamige boek van Jack Kerouac uit 1957, en ‘Into the wild’, ook al een boekverfilming, dit keer naar het gelijknamige boek van Jon Krakauer uit 1996, dat op zichzelf weer gebaseerd is op een waargebeurd verhaal.

Wijselijk tipte de Zomergast-gast aan de hand van ‘Into the Wild’ de keerzijde van het romantische streven aan, namelijk de onmogelijkheid jezelf te vinden door weg te gaan. Want Chris McCandless, die zich gevangen voelt in de maatschappij en die wil ontsnappen aan zijn opvoeding en de bijbehorende verwachtingen, die vindt zichzelf helemaal niet. Na het behalen van zijn diploma aan Emerson University in Atlanta in mei 1990, vertrekt hij, zonder iemand over zijn plannen en whereabouts te vertellen. Hij trekt op met rubber tramps Jan Burres en Bob, hij werkt een tijdje voor Wayne Westerberg in het kleine stadje Carthage in South-Dakota, peddelt met een kano de Colorado-rivier af, verblijft bij de daklozen van Los Angeles, trekt in Salton City, Californië, op met Ronald Franz, die hem wil adopteren als kleinzoon. Zoals iedereen die Chris ontmoet hem bij zich houden. Maar elke keer is daar ‘the call of the wild’. Na twee jaar rondtrekken, loopt hij in april 1992 de wildernis van Alaska in, waar hij, ten noorden van Mt. McKinley, een verlaten bus vindt. Levend van de jacht en met behulp een stapeltje boeken denkt hij daar na over zichzelf en zijn leven. Na twee maanden wil hij terug de beschaving in.

Eigenlijk begint daar de tragiek. Want op het moment dat de jongeman terug de maatschappij in wil, ‘keert’ de natuur zich tegen hem; de Teklanika-rivier waar hij in het voorjaar op zijn heenreis doorheen kon waden, blijkt twee maanden later een kolkende waterstroom te zijn geworden die hij met geen mogelijkheid kan oversteken. Noodgedwongen moet hij terug naar de oude bus, wachtend op het slinken van de rivier.

Daar begaat hij een tweede cruciale fout (zijn biograaf Krakauer spreekt over ‘blunders’). Gedreven door honger eet hij niet alleen de eetbare wortels van een plant, de Hedysarum alpinum, de wild potato, maar ook de zaadjes. En die blijken, anders dan de wortels, wel giftig. (In de film haalt Chris twee planten door elkaar die sterk op elkaar lijken, maar waarvan er één giftig is, en de ander niet-giftig.) Hij gaat eraan, en hij weet het, en hij kan het alleen zichzelf verwijten. Hij sterft, in het volle bewustzijn van zijn fout. Dat is een wrede dood, lijkt mij. De Natuur is geen plek om te verblijven. Not for long anyway.

De film eindigt met een droom waarin Chris veilig thuiskomt en door zijn ouders in de armen gesloten wordt – een nogal klef einde, dat toch overtuigt omdat het gaat om een ‘verlangen’ dat tot een halt komt. Krakauer laat zijn boek eindigen met een zelfportret van Chris; sterk vermagerd, maar met een serene blik in zijn ogen. Ook een beeld van thuiskomen, van zielsrust.

Film en boek blijven daarmee binnen het paradigma van de romantiek, of beter: binnen onze eenentwintigste-eeuwse invulling daarvan, die ervan uitgaat dat het verlangen vervulbaar is. ‘Seismografe’ Edelkoort is zelf overigens ook een nomade. ‘Ik ben altijd ergens anders,’ zei ze over haar reizende bestaan. Romantiek ten top.

© Liesbeth Eugelink

Landschap #1

Ik wil nog even verder denken over het landschap, omdat het landschap, ‘de natuur’, in de VS van zo’n wezenlijk andere orde lijkt dan in Europa. Om te beginnen zijn de verhoudingen heel anders. Alles is veel groter, en van de weeromstuit ben jij zelf veel kleiner. Dat inzicht wordt je al ingepeperd als je urenlang boven het eindeloze land vliegt. Je denkt dat je er bent als je de Atlantische Oceaan eenmaal overgestoken bent, maar dan zit je pas op de helft, dan moet je nog helemaal van de oost- naar de westkust.

Tijdens het rijden treft de grootsheid van het landschap je nog meer. In Europa blijf je altijd het gevoel houden dat je ergens naartoe rijdt, dat je aankomt. Wat ook zo is. Twee, drie dagen over autobanen tuffen is lang, maar dan ben je wel in Dubrovnik in het uiterst zuidelijke puntje van Kroatië, of in Granada, Zuid-Spanje. Je hebt de grenzen van Europa bereikt, kunt daar overheen. Het is allemaal: behapbaar.

In de VS, dat stukje Californië althans wat ik ervan gezien heb, had ik dat gevoel niet. Eenmaal vertrokken uit San Francisco en rijdend op de Coastal Highway richting het zuiden, wilde ik aanvankelijk meteen rechtsomkeert maken. ‘Wat is dit land ontmoedigend groot. Waar moet ik in godsnaam beginnen met het “begrijpen” ervan?’ Totdat ik me realiseerde dat ik nu eindelijk in de praktijk kon brengen wat ik geleerd heb voor de beeldbuis, kijkend naar Amerikaanse roadmovies: je moet je aan het moment overgeven, aan dat samengebalde punt van rijden en stilstand. Je moet helemaal opgaan in dat beeld van die gele streep op de zinderende grijze weg die zich eindeloos voor je uitstrekt en die tegelijkertijd alleen maar dáár is waar jij bent. Heel veel anders is er niet te doen. Er zijn geen dorpjes, geen steden om de tien, twintig kilometer; geen heuvel, geen bocht, geen informatieborden langs de kant van de weg die vertellen wat je ziet zoals op het Europese vasteland.

Dit lijkt een open deur; iedereen die in Amerika geweest, herkent die ervaring. Maar toch is het een belangrijk inzicht, want het maakt ook duidelijk dat het Sublieme, dat klassieke, en voor de Europese kunst- en natuurbeschouwing oh zo belangrijke begrip, per se een Europese vinding is. In de ervaring van het sublieme gaat het weliswaar ook om de angst voor vernietiging die genot opwekt, maar het is net of daarin toch de menselijke maat gehandhaafd blijft; er is altijd nog een ‘ik’ dat de ‘delightful horor’, zoals de Ierse filosoof Edmund Burke (1729-1797) het sublieme omschreef in zijn Enquiry (1757), kan ervaren. Het sublieme landschap gaat nergens werkelijk je pet te boven. Het Amerikaanse landschap daarentegen gaat voortdurend je pet te boven; het verheft je bestaan niet, het ontkent dat bestaan alleen maar en is daarin uitermate verontrustend.

© Liesbeth Eugelink

Het paradijs #3

Mooi interview met Job Cohen in NRC Weekend (Zaterdag 14 & Zondag 15 juli 2012), waarin hij een uiterst korte samenvatting geeft van de PvdA-beginselen. Gevraagd naar argumenten waarom zijn partij geen SP Light is, zegt hij daar dat ‘de Partij van de Arbeid altijd […] geprobeerd [heeft] een brug te slaan tussen wat traditioneel de arbeidersklasse heette en degenen die daar niet toe behoren, maar die wel het gevoel hebben: we moeten samen optrekken; het sociaal voelend intellectuele deel van de samenleving.’

Als je voorbijziet aan het snufje snobisme dat hierin doorklinkt, zegt Cohen het hier toch mooi. En haakt hij aan bij een traditie van sociaal denken die me aanspreekt en dat draait om het woordje solidariteit dat tegenwoordig vaak wel erg ver te zoeken is. Het doet me denken een graffititekst op een muur in voormalig Oost-Berlijn: ‘Solidarität ist die Zärtlichtkeit der Menschheit,’ ‘Solidariteit is de tederheid van de mensheid.’ Waarmee je volgens mij de kern van ‘solidariteit te pakken hebt, zónder de associatie van activisme dat het woord nogal eens aankleeft.

Zo herinner ik me de tekst, maar gegoogled blijkt het ‘Solidarität ist die Zärtlichtkeit der Völker’ te moeten zijn, notabene een citaat van Che Guevara. Maar ja, dan zit je toch weer in de revolutionaire hoek, dus ik geef de voorkeur aan mijn eigen ‘misreading’.

In het interview pleit de ‘beschaafde’ politicus Cohen ook nog voor een fusie op links, maar niet zonder de andere partijen op de linkerflank nogal vilein te typeren: ‘De SP is natuurlijk een heel hiërarchisch geleide partij en daar is de Partij van de Arbeid zo ongeveer het tegenovergestelde van. D66 is ook weer een totaal andere partij, dat zijn hartelijke mensen uit de gegoede burgerij. En bij GroenLinks zit zowel de oude groep, sterk gericht op het milieu, niet altijd even stevig met beide voeten op de grond, als de libertairen die er op een gegeven moment ook in terecht zijn gekomen.’ Dat het maar duidelijk is waar je 12 september je stem op moet uitbrengen, mocht die fusie uitblijven.

© Liesbeth Eugelink

Het paradijs #2

Mijn eigen kleine paradijs op dit moment: Sand Dollar Beach aan de Pacific in Californië, aan het eind van de middag, als de zon de bergen in een zachte gouden gloed wikkelt en een fijne nevel overal de scherpe randjes van afhaalt, terwijl een aantal surfers zich in het steenkoude water wagen op zoek naar ‘hun’ golf van die dag – surfen is heel erg zen heb ik me laten vertellen. En dan moet je je daar een sneeuwwitte meeuw bij voorstellen, die met een scheef koppie uiterst geduldig al je bewegingen volgt (‘Stukje brood!’ ‘Hapje!’). ‘Sand Dollar Beach’, een strand dat zijn naam ontleent aan de groene jade die je vindt waar je bij zit.

Er zijn gelukkig landschappen die onze verlorenheid zo in het kwadraat weerspiegelen en vergroten dat we er in verdwijnen. Een merkwaardig troostrijk gebeuren.

Mooi citaat uit Komrij’s gedicht ‘Gehavend’ (in de bundel Spaans benauwd):
Als ik hem aankijk raak ik in paniek. Wie ben jij schelp? Waar ken ik je toch van?’

Het paradijs #1

Afgelopen week op televisie naar aanleiding van het overlijden van de schrijver, de documentaire ‘De gelukkige schizo’ van Jan Louter en Onno Blom over Gerrit Komrij (1944-2012).

Het meest fascinerende gedeelte van de documentaire zit aan het eind, waar Komrij vertelt over Trás-Os-Montes, ‘Over de bergen’, een streek in Noord-Portugal waar Komrij en zijn levenspartner Charles Hofman begin jaren tachtig in een klein dorp een oud landhuis betrekken: ‘Het was een achttiende-eeuws huis met zes, zeven grote kamers aaneengeschakeld waar je op rolschaatsen wel een kwartiertje over deed […]. Wij vonden dat een hele paradijselijke plek, wij dachten: “Daar gaan we in witte gewaden rondlopen en zullen we nooit meer iets van ons laten horen. We zijn verdwenen en opgelost.”’

Aan de droom om te ontsnappen aan het oog van de wereld komt al snel een eind: ‘En ja, dan sluipt de tijd binnen en een andere maatschappij en dan blijken op zo’n plek niet alleen fazanten en pauwen te wonen […], maar ook mensen met wie je te maken krijgt. Dan word je een slachtoffer van je eigen stommiteit en naïeviteit. Want voor die mensen, die arme mensen was die plek, wat een hele dorre plek was, allerminst een paradijs, een idylle.’ [Parafrase door mij.]

De periode lijkt garant te staan voor een desillusie die Komrij nooit helemaal te boven lijkt gekomen. De filmopnames uit die tijd zijn de enige beelden van de documentaire waar hij en zijn partner op lachen, gelukzalig lachen bijna. Een lach die je in de rest van de documentaire bij geen van beiden meer ziet. ‘We hebben het nog een paar jaar volgehouden, maar het paradijs was stuk.’ Zelfs sommige herinneringen aan die periode blijken pijnlijk, zodat de verdrijving uit het paradijs écht definitief is.

Komrij houdt niet van het autobiografische, zo zegt hij ook in deze documentaire. Maar ten aanzien van deze periode wordt je wel benieuwd naar wát er daar precies gebeurd is dat de desillusie zo compleet was. Of in zijn eigen woorden: ‘Het is zo ongeveer de meest buitenissige, maar ook de meest ingrijpende periode in ons leven geweest.’

© Liesbeth Eugelink